Meerbegaafd: zegen of vloek?
Aan het begin van het schooljaar wordt er in de pers elk jaar opnieuw aandacht besteed aan school-gerelateerde onderwerpen. Vaak vliegen de grote koppen ons rond de oren. Zo blokletterden alle grote kranten op 5 september nog dat 1 kind op 3 leermoeilijkheden zou hebben. Gisteren was er dan in het VRT-journaal van 19 uur een reportage te zien over meer/hoogbegaafde kinderen. De reportage leerde de kijker dat deze groep van kinderen onvoldoende uitdaging vindt in het gewone klasgebeuren en ze toonde een voorbeeld van een ‘Kangoeroe-klas’, waar wekelijks enkele meer/hoogbegaafde kinderen samengebracht worden om ‘op niveau’ te kunnen werken.
Ik hou mijn hart vast telkens er op de televisie over meer/hoogbegaafdheid bericht wordt. Het thema wordt bijna steeds te éénzijdig belicht. Ook gisteren werd er weer een romantisch beeld opgehangen van het meer/hoogbegaafde kind : enkel het succesvolle meer/hoogbegafde kind komt in beeld, het kind dat (uitzonderlijk) goed functionneert, dat sterk in het leven staat, dat greep heeft op de uitdagingen die het leven hem/haar biedt.
Spijtig genoeg geldt dit maar voor een (klein) deel van de meer/hoogbegaafde kinderen. In deze berichten wordt niet ingegaan op heel de problematiek van het meer/hoogbegaafde kind. De meer/hoogbegaafde kinderen waar wij in de praktijk mee geconfronteerd hebben zelf grote problemen (en zijn een probleem voor de omgeving). Je zou bijna kunnen stellen dat de grootte van de problemen recht evenredig is met de intelligentie van het meerbegaaafde kind (we onderscheiden de meerbegaafde, hoogbegaafde en uitzonderlijk begaafde kinderen).
Door deze berichtgeving wordt het moeilijk voor leerkrachten die met meer/hoogbegaafde kinderen geconfronteerd worden in hun klas, om de problemen van deze kinderen te kunnen begrijpen. Zij identificeren begaafdheid met succesbeleving. (In het artikel hieronder komt het ook duidelijk naar voren). Ik stuit eveneens vaak op onbegrip wanneer ik in een gesprek op school de problematiek van het kind tracht te kaderen.
Tussen 2002 en 2005 schreef Prof. Hendrickx een reeks van 6 artikelen over leer-en gedragsproblemen bij het hoogbegaafde kind. Deze artikelen zijn voor mij de basis geweest van mijn onderzoek en eindwerk in de postgraduate cursus “De pedagogie van de perceptie van de beweging”, aan de Universidade Moderna in Lissabon. In die artikelen deelt Prof. Hendrickx de groep van de meer/hoogbegaafden op in 3 subgroepen. In de eerste plaats heb je de succesvolle groep, waarover we het hierboven reeds gehad hebben: het kind wordt als dusdanig (h)erkend, omdat het op (zeer) jonge leeftijd uitzonderlijke prestaties levert. Van de tweede groep kinderen wordt niet onmiddellijk opgemerkt dat ze meerbegaafd zouden zijn, dit omdat het kind ook leer (-en/of gedrags)problemen heeft. De begaafdheid en de leerproblemen heffen mekaar op, ze neutraliseren mekaar: de begaafdheid komt niet volledig tot uiting door het leerprobleem en anderzijds wordt de ernst van het leerprobleem vaak in eerste instantie niet opgemerkt omdat het kind met zijn intelligentie veel kan compenseren. Pas verderop in de schoolse carriere ( begin van de middelbare studies) decompenseert het kind omdat zijn compensatiestrategieën te kort schieten (wanneer te veel of te moeilijke leerstof te snel moet verwerkt worden). Typisch voor deze kinderen is dat ze terecht komen in het cascadesysteem van ons onderwijs. Van de derde groep is het voor de buitenstaander heel moeilijk om te begrijpen dat ze meer/hoogbegaafd zouden zijn, omdat ze in het schoolse systeem helemaal geen aansluiting vinden. Ze presteren helemaal niet en komen daardoor al te vaak terecht in het beroepsonderwijs. Opvallend is dat sommige van deze kinderen als volwassene toch zeer succesvol worden in het leven. Wanneer ze aansluiting vinden bij een ‘niche van de realiteit’, bij iets wat hen interesseert, kan hun creativiteit en aanleg helemaal openbloeien. (Denk maar aan enkele succesvolle tuinbouwbedrijven of restaurants…).
Vandaar dat ik zeer tevreden was toen de mama van een kindje dat ik begeleid, me dit artikel uit ‘De Morgen’ van vandaag gaf. (Door op de foto te klikken, vergroot je het artikel) Hoewel de kinderen die in het artikel getuigen nog steeds uit de eerste succesvolle groep komen, is er toch al aandacht voor de problematiek van de meer/hoogbegaafde. Het enige waar ik het moeilijk mee heb is dat de auteur laat uitschijnen dat kinderen met ADHD of autisme minder begaafd zouden zijn (”Ze zitten aan de andere kant van de intelligentiecurve”). Uit eigen ervaring in de praktijk en uit de literatuur blijkt dit helemaal niet zo te zijn. Integendeel zelf er wordt een sterke comorbiditeit beschreven tussen het meer/hoogbegaafde kind en het kind met ADHD of autistoforme kenmerken.
Tenslotte wil ik nog benadrukken, om misverstanden te vermijden, dat ik hard achter het systeem van de kangoeroe-klas sta. Gedifferentieerd onderwijs, waar de klas in verschillende groepen opgedeeld wordt, die elk op hun niveau aangesproken kunnen worden, zou mijns inziens, de ‘ optimale ontwikkeling’ in het achterhoofd houdend, in elk klas ingeburgerd moeten worden. Wanneer de leerkracht lesgeeft voor ‘de gemiddelde leerling’ van de klas, worden twee belangrijke groepen over het hoofd gezien.





