“Het kind heeft altijd gelijk”

In vorige berichten schreef ik al over ‘Het kind heeft altijd gelijk’ (oa. hier en hier).

Sinds een tweetal jaren is Prof. Hendrickx deze ’slogan’ meer en meer gaan gebruiken. Zo is het 1 van de 3 slagzinnen op de folder van de VKOH. Wanneer ik dit echter in een gesprek met ouders of leerkrachten aanhaal, krijg ik vaak gefronste wenkbrauwen als reactie. Om deze uitspraak echt te begrijpen, moeten we verder kijken dan de eerste, meest voor de hand liggende, mogelijke betekenis. We bedoelen met ‘Het kind heeft altijd gelijk’ niet dat je als ouder je kind steeds gelijk moet geven in een discussie of zo… Het betekent evenmin dat we het kind altijd zijn zin geven of zouden moeten geven. (Dit zou leiden tot zeer verwende kinderen.) 

Deze uitspraak raakt de essentie van de Kritische Ontwikkelingsbegeleiding. Een beetje duiding is dus op haar plaats.

Zoals ik reeds op verscheidene plaatsten vermeld heb, vertrekt de “Kritische Ontwikkelingsbegeleiding volgens Hendrickx” van wat het kind nu is, nu al kan, weet en emotioneel aankan en niet van wat het zou moeten zijn, kennen, weten of van wat het milieu verwacht van het kind (bijvoorbeeld het statistische gemiddelde voor die leeftijdsgroep of de eindtermen van de school).

In onze probleemanalyse en –synthese trachten we, op een systematische en objectief registreerbare manier, een zo welomlijnd mogelijk beeld te krijgen van wat het kind is, kan en aankan, kent, … Het geeft ons inzicht in de dieptestructuren van het kind, die het zichtbare gedrag bepalen. Indien we die dieptestructuren kennen, kunnen we het gelijk van het kind leren kennen. “Het gelijk van het kind moet uiterst systematisch onderzocht en geverifieerd worden.” (F.J.P. Hendrickx)

Het kind is wat het is, het leeft vanuit zijn eigen interne structuren en kan bijgevolg in elke situatie maar zijn wat het kan zijn. Het doet in die situatie wat het kan doen, vanuit zijn mogelijkheden (en met zijn beperkingen). Het gedrag is, van de kant van het kind uit, altijd logisch. We moeten ons als buitenstaander in het standpunt van het kind kunnen inleven, willen we die interne logica van het kind ontdekken. De interne logica van het kind begrijpen leidt ons naar het gelijk van het kind.

Als we het gelijk van het kind kennen, dan moet het kind ook zijn gelijk krijgen. Het kind heeft recht op zijn gelijk, het heeft recht om te zijn zoals het is: “Het is zijn geboorterecht.” (F.J.P. Hendrickx)

Laat me dit illustreren aan de hand van deze foto, die iedereen intussen wel gezien zal hebben. Hij prijkt aan de muur van het kabinet van Prof. Hendrickx in de Wilg te Hasselt en is eveneens opgenomen in de folder van de Kritische Ontwikkelingsbegeleiding.

Deze foto is genomen tijdens een probleemanalyse, waarbij Prof. Hendrickx een tweedimensionale structuur heeft voorgebouwd en aan het kind vraagt ze na te bouwen, waarbij hij het beginpunt aangeeft. De opdrachtsituatie zag er als volgt uit:

Iemand die het principe van ‘het gelijk van het kind’ niet zou kennen, zou kunnen zeggen dat dit ‘niet juist is’, gezien het kind ‘in de verkeerde richting’ heeft gebouwd: het legt de blokjes niet mooi op de tafel, maar naar zich toe (zelfs over de tafelrand! Hoe durft het?)… Wat die persoon zou verwachten :

Natuurlijk heeft het eerste kind ‘gelijk’ (en is zijn antwoord ‘juist’): het kind heeft heel goed begrepen waar het om gaat (tweedimensionaliteit van het veld). Als je ziet hoe vaardig het dan ook nog is om toch maar ‘zijn constructie’ gemaakt te krijgen… “Intelligentie kruipt waar ze niet gaan kan”, noemt Prof. Hendrickx dit. Alleen zou je kunnen concluderen dat hij niet zichzelf als referentie neemt vanwaaruit hij ordent, maar dat hij de ordening van de proefleider overneemt en dus afhankelijk is van een structurering van buitenaf (veldafhankelijkheid, zie later). Deze interpretatie zou in het vervolg van de probleemanalyse zeker nog moeten geverifieerd worden.

Wanneer ik het principe van ‘het gelijk van het kind’ aan ouders of leerkrachten uitleg, krijg ik regelmatig de repliek: “Ja, dit begrijp ik wel, maar als mijn zoon, telkens hij moet lezen, wegloopt of het boek op grond gooit of stuk maakt, kan ik hem toch geen gelijk geven?”

En toch, telkens het kind niet meer wil doen wat er gevraagd wordt (of beter: niet kan doen wat er gevraagd wordt), moeten we trachten ‘het gelijk van het kind’ te achterhalen. Dan moeten we gaan kijken waarom dat kind dat doet. Pas als we begrepen hebben waarom het zo handelt (en vaak is dat zeer complex), kunnen we het kind zijn gelijk geven. Zo is, in het voorbeeld van het schrijven hierboven, inzicht in het fenomeen van de ‘negatieve controle en anti-gedrag’ noodzakelijk om het kind te begrijpen. Prof. Hendrickx heeft over dit onderwerp 2 artikels geschreven en ik zal hier in een later bericht ook zeker op terugkomen.

Als we het gelijk van kind kennen, kunnen we van daaruit vertrekken om het kritisch te begeleiden. Als het kind weet (aanvoelt) dat je als begeleider vanuit zijn gelijk vertrekt, kan het kind je vertrouwen en kan het zich openstellen. Dit noemen we de “kritische begeleidingsrelatie”, eveneens een thema voor een volgende post.

No comments yet. Be the first.

Leave a reply