Fasciatherapie bij de (top)sporter: logesyndroom

Vorige week behandelde ik een jonge voetballer met een loge syndroom in beide onderbenen.

Anderhalf jaar geleden kreeg hij voor het eerst problemen met de onderbenen. Uiteindelijk leidden die tot een eerste operatie, waarbij de aponeurosen van het onderbeen geopend werden, opdat de spieren binnen de fascia meer ruimte zouden krijgen.

Na een lange revalidatie bleek hij nog steeds niet in staat om opnieuw te voetballen. Een tweede operatie drong zich op, waarbij ditmaal al de fascia’s van het onderbeen losgemaakt werden, ook de aanhechtingen op het periost van de tibia en de fibula. Opnieuw revalidatie, opnieuw zonder veel succes, want nog steeds kan hij niet voetballen.  Na de eerste 3 opeenvolgende trainingen was de pijn in de onderbenen niet meer te harden en moest hij de inspanning stopzetten. Op dit ogenblik revalideert hij gemiddeld 5 uren per dag bij de sportkinesitherapeut. Via een leerlinge uit de opleiding fasciatherapie kwam hij bij ons in de praktijk terecht.

Voor die gast is dit natuurlijk een ramp. Hij zit op de topsportschool,  speelt bij de beloftenploeg van een eerste klasse voetbalclub (de verkeerde weliswaar :-) ) en zou van voetbal zijn beroep willen maken. Maar zo een blessure brengt natuurlijk veel twijfels met zich mee. Gaat hij ooit nog pijnvrij kunnen sporten? Gaat hij het topniveau nog aankunnen? Zou hij beter verder studeren of toch alles op alles zetten voor het voetbal?

Het logesyndroom is letterlijk een ‘fascia-probleem’: het uit bindweefsel bestaande vlies, de enveloppe, rond de spier (aponeurose) zit te strak waardoor de spier onvoldoende ruimte heeft om uit te zetten bij een inspanning (bijvoorbeeld doordat er meer bloed naar de spier gaat). Per definitie zouden we dus met de fasciatherapie resultaten moeten kunnen halen bij dit probleem.

Reeds in het eerste seminarie leren we de studenten de fascia van de spier te behandelen. We werken dan voornamelijk op de beweeglijkheid van de fascia, op de elasticiteit van de fascia, op verklevingen van die fascia’s met de omgeving, met de onderliggende spier zelf, op de tonus van de spier, de microcirculatie in de spier enz… Niet enkel rond de hele spierbuik bevinden zich vliezen, ook de verschillende spervezels, zelfs spiercellen worden omvat door fascia. (klik op afbeelding om te vergroten) Belangrijk is te weten dat de vliezen van de verschillende spieren in mekaar overlopen, als een netwerk, een soort spinnenweb, waardoor verschillende delen van het lichaam als het ware met mekaar in verbinding staan. Zo volgt de fasciatherapeut de spanningen in die vliezen en kan hij de verschillende zones die met elkaar in verbinding staan ‘vrij’ maken.

Tot nu is het probleem van K. hoofdzakelijk lokaal behandeld: zowel de chirurgische interventie als de kinesitherapeutische behandeling waren/zijn voornamelijk gericht naar het onderbeen. 

Het eerste wat ik deed was de beweeglijkheid van de fascia’s ter hoogte van het onderbeen zelf en de pulsologie in de kniekuil (art. tibialis) evalueren. Ik voelde bijna geen glijvlakken van de verschillende lagen ten opzichte van mekaar. Daarna begon ik de lumbale wervels , wat spieren er rond (pijlers diafragma en aanhechtingen psoas thv de wervels, quadratus lumborum, …), en het buikvlies (peritoneum) te behandelen. Van zodra ik in de elastische weerstand van de lumbale spieren ging, kreeg K. pijn, druk en tintelingen in zijn beide kuiten, vergelijkbaar met de symptomen tijdens inspanning;  voor mij een bevestiging dat er verder dient gekeken worden dan enkel (de fascia’s van) het onderbeen.  Naarmate  de spanning ter hoogte van de lumbale wervelkolom afnam, minderde de druk in de onderbenen recht evenredig. Er bleef wel nog steeds een knagend ‘groei’ gevoel in beide benen. Ik profiteerde van de tonische reacties in heel de behandelde zone om de grote bloedvaten, die in hun verdere verloop het been bevloeien, vrij te maken.

Nadien heb ik me naar de vliezen van het linkerboven- en onderbeen gericht. De littekens die de operaties hebben nagelaten, hebben verklevingen van de verschillende anatomische lagen veroorzaakt (niet enkel ter hoogte van de huid, maar ook dieper natuurlijk), waardoor ik het weefsel bijna niet kon laten glijden. Door de ‘mobilisaties’ van het weefsel veranderden zowel kwantitatieve parameters (bvb. groter amplitudo : ik kan verder bewegen doordat het weefsel elastischer wordt en doordat het minder verkleefd is met omliggende lagen) als kwalitatieve parameters van de beweging (beter gevoel van glijden). Daarnaast veroorzaakt dit werk sterke fysiologische reacties (lokale warmte  en pulsaties bvb). Naast lokale effecten bereik je als fasciatherapeut ook steeds globale effecten (op de rest van het lichaam): terwijl ik zijn linkerbeen onder handen nam voelde hij het evenveel knagen en trekken in zijn rechterbeen. Door de duidelijke tonische modulaties van zowel fascia als spierweefsel zelf kon ik dieper en dieper in het weefsel zakken en op een dieper niveau ‘mobiliseren’ (tot aan het periost).  

Na de manuele therapie in lig, hebben we nog meer dan een half uur bewegingsoefeningen uitgevoerd (sensoriële reëducatie). Eerst de coördinatie van de lumbale wervels/hele wervelkolom aangepakt, gezien de relatie tussen de te hoge spiertonus lumbaal en de pijn in de benen. Na enkele minuten kon hij zowel naar voren als opzij een stuk verder buigen, maw kreeg hij minder snel spanning in de benen. Nadien zijn we verder gegaan met de basisbeweging opzij. Het accent lag vooral op de vloeiendheid van beweging: bij een vloeiende beweging gebruik je het juiste aantal spierezels. K. bewoog met een veel te hoge spiertonus, hij gebruikte te veel spierkracht. Hierdoor verstikt hij zowel fascia’s als spiervezels. Leren bewegen met de juiste spiertonus zal een belangrijk aspect uitmaken van de behandeling. 

Met deze combinatie van symptomatisch de fascia’s vrij te maken, curatief het bewegingspatroon te coördineren (waardoor de fascia’s minder snel onder spanning komen staan) en preventief te zorgen voor een aangepaste spiertonus tijdens de inspanning, ben ik er van overtuigd  K. te kunnen helpen.

Twee dagen na deze eerste behandeling kreeg ik volgende mail:  “Ik heb na de behandeling aquatraining gedaan en dat gaf de eerste 2 dagen af en toe en beetje pijn, maar de dagen daarna is dit weggetrokken en heb ik een goed gevoel van de behandeling overgehouden.”

Hoopvol, dus. Ik hou jullie op de hoogte…

Comments

  1. Anne-Marie Bogers
    December 31st, 2008 | 6:05 pm

    Ik heb al ruim 9 jaren last van pijn in mijn beide onderbenen bij inspanningen. Uit eigen ervaring is het vrijwel zeker het logesyndroom. Fysiotherapeuten zeggen mij dat het een vorm van shinsplit is. Het uitoefenen van sport is voor mij hierdoor erg beperkt geworden. Lichte inspanning is mogelijk, maar daar houdt het mee op. Het heeft veel negatieve invloed op mijn leven. Graag zou ik in contact willen komen met uw praktijk.
    Anne-Marie Bogers, Dongen (Nederland)

  2. Tim Van Driessche
    October 26th, 2009 | 8:45 pm

    Een goeie vriendin van mij heeft net hetzelfde voor als K. Ze vertelde mij dat het Logesyndroom was, ik wou daar wat meer over te weten komen.
    Ik kan U alleen maar feliciteren met de schitterende uitleg dat u daar aan gegeven heeft. Ok ik ben geen leek in de anatomische termen, maar ik versta het helemaal! …

    Hoop dat het met K In orde!

    Tim

Leave a reply