Is mijn kind koppig en stout, of is er meer aan de hand?

Over negatieve controle en antigedrag…

Deze blog is op verzoek geschreven. C., een meisje dat ik gedurende meer dan een jaar begeleidde in de praktijk, is deze zomer verhuisd naar Zwitserland. Daar waar het in België elk jaar zeer moeilijk was om een geschikte, aangepaste school te vinden voor haar, is ze in Zwitserland terecht gekomen in een school waar ze per 2 leerlingen een begeleider hebben, ideaal om haar mogelijkheden verder te ontwikkelen! Volgens haar begeleiders  van de nieuwe school heeft C. zich goed aangepast aan haar nieuwe omgeving. Ze leert bij, alleen vindt de juf haar soms ‘koppig’: “Ze heeft mogelijkheden, alleen is het echt spijtig dat haar ontwikkeling geremd wordt door haar gebrek aan medewerking.”

C.’s mama vroeg me een blog te schrijven om uit te leggen dat er meer aan de hand is dan ‘koppig zijn’ of ‘niet willen meewerken’, dat het geen kwestie van ‘niet willen’, maar van ‘niet kunnen’ is. Het liefst zou ik, minstens een dag, opleiding geven over dit thema in C.’s nieuwe centrum, om haar leerkracht te helpen haar beter te begrijpen, om te tonen hoe je de fuik van negatieve controle kan ontwijken. Laat deze blog misschien een eerste stap zijn…

Om ‘koppige, eigenzinnige ’kinderen optimaal te kunnen begeleiden is het volgens mij zeer belangrijk om het fenomeen van ‘negatieve controle en antigedrag’ te kennen. Pas dan kan het gedrag van het kind van binnenuit begrepen worden  en kan het kind ‘zijn gelijk krijgen’.

Om meer te weten te komen over negatieve controle en antigedrag, druk op lees meer…

In deze post ga ik me beperken tot een beschrijving van het fenomeen van de negatieve controle. Hiervoor doe ik, naast mijn ervaring uit de praktijk, beroep op een artikel uit 1998 van Prof. Hendrickx. Meer dan eens heb ik hem horen vertellen dat het  belangrijk zou zijn om dat artikel verder uit te werken.  Ik hoop dat hij er binnenkort tijd voor zal vinden.

Ik wil negatieve gedragscontrole uitleggen aan de hand van het contrast met ‘positieve gedragscontrole’. Positieve gedragscontrole betekent dat, wanneer  je iets wil gaan doen (bijvoorbeeld een glas opnemen), je dit effectief ook kan doen en doet (je neemt het glas op). Je hebt een intentie voor een handeling, en je kan die intentie zonder veel problemen uitvoeren, zoals je het zelf vooraf gepland had. Waar een wil is, is een weg.

Negatieve gedragscontrole betekent dat het kind niet kan doen wat het graag wil doen, dat de intentie van het kind (de persoon) niet kan omgezet worden in een doelgerichte handeling  (Het kind wil het glas opnemen, maar geraakt niet op weg en neemt het glas niet op). “Waar een wil is, is geen weg” (F.J.P. Hendrickx, 1998, p.16). Het kind stoot op een interne blokkade. Hoe graag ook het kind datgene wil doen wat het wil doen, het lukt het niet om er aan te beginnen, het blokkeert… Meer nog, het is vaak omdat het kind het graag zou willen doen en sterk gemotiveerd is, dat het blokkeert. Hoe meer druk het kind zichzelf oplegt en vooral hoe meer druk er van buitenaf op het kind gelegd wordt, hoe sterker de blokkade. “Wat opvalt is het gedwongen karakter van deze negatieve controle en antigedrag, dat bovendien nog versterkt wordt naarmate de inspanningen en de frustratie van het kind groter worden.” (F.J.P. Hendrickx, 1998, p.16)

In het concrete geval van C. zie je dat, wanneer je haar vraagt iets te doen (bijvoorbeeld blokjes van het ene torentje naar een andere verplaatsen), ze in eerste instantie gemotiveerd is om dit te doen: ze lacht, haar handjes flapperen,… Bijna onmiddellijk nadien, wanneer ze voelt dat ze niet op gang geraakt (door de negatieve controle), slaat haar gedrag om en wordt ze opgewonden (agitatie), verliest ze haar toewending naar de situatie (ze gaat ‘hangen’, blijft niet meer rechtop zitten),  wil ze weg van de stoel, begint ze te huilen. Hoe meer druk er op dat ogenblik op haar gelegd wordt, hoe sterker de negatieve controle en het vermijd/vluchtgedrag. Dit leidt soms tot ontroostbare huilbuien (waar ze ook weer niet uitgeraakt, hoewel ze niets liever zou willen, … (negatieve controle, weet je wel)).

Een aanverwante vorm van gedrag is antigedrag: het kind doet het omgekeerde van wat bedoeld is, of vertoont onaangepast gedrag (bijvoorbeeld in plaats van het glas op te nemen, gaat het het op de grond gooien.) Ik herinner me het verhaal van een jongetje uit de derde kleuterklas, T.,   die er op stond te kijken hoe een vriendje van hem het schilderij van een derde kindje bekladde met verf. De juf kwam tussen en berispte zijn vriendje met de woorden : “Je mag dat niet doen, niet spatten met verf op het schilderij van een ander kindje!”.  T. stond erbij, hoort de berisping van de juf, die niet eens voor hem bedoeld was, en gooit op zijn beurt een grote klad verf erbij op de tekening. Pogingen tot beheersen en controleren van het gedrag lopen uit in het omgekeerde van het bedoelde. Ook hier is inzicht in de achtergrond van de problematiek noodzakelijk. Al te makkelijk wordt het kind anders bestempeld als ‘stout’, ‘moeilijk’ of een ‘speciaal geval’ (“Het is altijd met jou…”). “Door de groeiende overtuiging bij de leerkracht dat het hier om een hopeloze toestand gaat, bestaat de kans dat er een ‘zwart schaap syndroom’ ontstaat, dat het optreden van het antigedrag stimuleert.” (F.J.P. Hendrickx, 1998, p. 20)

Het prototype van negatieve controle zien we inderdaad bij het autistische kind, of het kind in een autismespectrum, waar het gedrag gekenmerkt wordt “door een extreme en habituele vorm van negatieve controle waarbij het contact met de dreigende buitenwereld wordt afgesneden. Bij diep autistische kinderen kan de negatieve controle een zijnswijze worden, die rechtstreekse communicatie onmogelijk maakt”. (F.J.P. Hendrickx, 1998, p.18)

Maar geloof me, dit fenomeen komt niet enkel voor bij kinderen in een autismespectrum. Het gedrag van veel ‘normale’ kinderen is doorspekt met aspecten van deze negatieve controle. We zien dit fenomeen veel terugkomen bij goed begaafde en (zeer/over-) gevoelige kinderen. Deze kinderen identificeren zich namelijk met hun standpunt/handeling: ze kunnen geen onderscheid maken tussen ‘wie ze zijn, als persoon’ en ‘wat ze doen’. Bijgevolg, wanneer hun gedrag door derden afgekeurd wordt, hebben ze de beleving dat ze zelf, als persoon, afgekeurd worden (en niet enkel wat ze doen).  In conflictsituaties komt dit nog sterker tot uiting: eens het kind positie genomen heeft, zit het in een fuik (negatieve controle) en kan het zijn standpunt niet loslaten om toe te geven. Hoewel het kind weet dat het ongelijk heeft, blijft het halsstarrig zijn standpunt verdedigen, want toegeven betekent dan hetzelfde als zichzelf verliezen en dat kan dat gevoelige kind niet (meer) aan en wil het ten allen prijzen vermijden. Hoe meer druk van buitenaf gelegd wordt, hoe harder het conflict. 

Door onbegrip ontstaat in extreme gevallen een negatieve sfeer, waarbij het kind bij de minste aanleiding en vaak voor futiliteiten, in de doodlopende straat van negatieve controle en antigedrag terecht komt. “Op deze manier ontstaan er, voor men het weet, psycho-toxische relaties tussen bijvoorbeeld, moeder en kind, waardoor een normaal samenleven niet meer mogelijk is en waar bij bij de minsten aanleiding de spanningen aangroeien tot scherpe conflictsituaties” (F.J.P. Hendrickx, 1998, p.20)

Voilà, in een volgende bijdrage zal ik dieper ingaan op de achtergrond van de negatieve controle/antigedrag  en zal ik enkele tips meegeven om deze situaties te ontmijnen… 

 

Comments

  1. nadia
    May 15th, 2009 | 12:31 pm

    ik zou graag een dichtsbijzijnde pedagoog of hulp willen vragen voor mijn dochter . iemand van de hendrickx methode alstublieft.

  2. July 28th, 2009 | 10:43 am

    @ Nadia: Je vindt een lijst met therapeuten op de homepage van de website http://www.vkohendrickx.be.
    Succes!

Leave a reply