Over ‘koppige’ en ’stoute’ kinderen, deel 2

In een vorige bijdrage heb ik het fenomeen van negatieve controle en antigedrag beschreven.

Een vraag die steeds terugkeert, wanneer we door de bril van een kritische ontwikkelingsbegeleider  - maw van binnenuit - een gedrag naar derden beschrijven, is :  ”Wat kan ik (als ouder/als leerkracht) hier aan doen?” of “Hoe moet ik er mee omgaan?”  (zie vraag leerkracht of mama Constance).

Voor dergelijke vragen is het niet mogelijk om pasklare antwoorden te formuleren. De problematiek is te complex om er kant-en-klare recepten op toe te passen. Mocht het maar zo eenvoudig zijn, genre ‘als je dit zo doet, krijg je zowiezo altijd dat resultaat’… Menselijk gedrag is nu éénmaal geen exacte wetenschap.

En toch proberen we, als kritisch ontwikkelingsbegeleider, deze vraag steeds zo goed mogelijk te beantwoorden. Een poging volgt na de ‘lees meer…’

1. Inzicht in de problematiek

Kennis van zaken is een eerste, absolute voorwaarde. Daarom is het belangrijk om U zo goed mogelijk te informeren: veel lezen over het onderwerp, praten met de begeleider van Uw kind, eventueel met andere ouders, afspraak bij Prof. Hendrickx… Pas indien U het beschreven fenomeen goed kent en begrijpt, krijgt U inzicht in het gedrag van Uw kind en zal het mogelijk worden om het gedrag van Uw kind adequaat te interpreteren.

In het concrete geval van negatieve controle is het belangrijk te begrijpen van waar dit gedrag komt,te weten hoe het komt dat het kind op die manier reageert.

2. Wat ligt aan de basis van de negatieve controle?

Negatieve controle komt typisch voor bij het gevoelige – overgevoelige kind. Zoals de gevoeligheid vele gradaties kent, bestaat de negatieve controle eveneens in verschillende gradaties : van het ‘normale’ kind, dat in bepaalde specifieke situaties, op bepaalde momenten van zijn ontwikkeling kenmerken vertoont van negatieve controle tot het extreem overgevoelige kind, het kind met ‘fundamentele bestaansonzekerheid’, waar de negatieve controle pervasief aanwezig is (doordringt het volledige functioneren en ontwikkelen van het kind), als een kortsluiting in het systeem.

Bij die vormen van fundamentele bestaansonzekerheid heeft het kind angst om zichzelf te verliezen. Het kind bevestigt zichzelf door het gevoel van extreme greep/controle op zijn omgeving. Het manipuleert zijn omgeving om ze onder controle te houden. Wanneer het die controle verliest, verliest het zichzelf.

Negatieve controle wordt dan een overlevingsstrategie, die zich uit in de hardnekkigheid waarmee het fenomeen optreedt: het is bijna onmogelijk om het gedrag van het kind positief te beïnvloeden. Met zachte of ijzeren hand opvoeden, belonen of straffen lijken even weinig effect te hebben.

Het is niet zeldzaam dat zo’n kind door de ouders die ten einde raad zijn en alles wat ze kunnen bedenken al geprobeerd hebben, lichamelijk gedwongen worden te gehoorzamen. Dit fysiek geweld maakt de toestand alleen maar erger: ofwel wordt het kind gebroken, ofwel wordt het nog ‘koppiger’.” (FJP Hendrickx, 1998, p.21)

3. Begrip

Om het fenomeen van negatieve controle te kunnen begrijpen moeten we ons standpunt van extern observator verlaten en van moeten we trachten het gedrag van het kind van binnenuit te begrijpen. Het credo van de kritische ontwikkelingsbegeleiding “Elk kind heeft altijd gelijk”, waarover ik eerder al een blog heb geschreven, is hier meer dan ooit op zijn plaats. Het kind zijn gelijk kennen en het zijn gelijk kunnen geven is een eerste absolute voorwaarde voor het samenleven met of het begeleiden van kinderen met negatieve gedragscontrole. Het kind moet zich begrepen en gerespecteerd voelen. Het feit dat het kind zich begrepen voelt, mondt uit in een vorm van fundamenteel vertrouwen. “Het kind moet voelen dat de begeleider er rekening mee zal houden dat het gaat over iets dat hem overkomt en waar hij niets kan aan doen.”(FJP Hendrickx, 1998, p.21)

4. Het kind kan er niet aan doen

Het kind kan dit gedrag niet controleren. Eens het kind in afweer gegaan is, kan het niet terug. Het is geen kwestie van niet willen, wel van niet kunnen. Herinner U dat, wanneer het kind zijn standpunt opgeeft, het zichzelf opgeeft. Negatieve controle is een overlevingsstrategie. Het gedrag wordt gestuurd vanaf een dieper affectief-lichamelijk niveau, waar de bewuste controle geen greep op heeft. Prof. Hendrickx beschrijft het voorbeeld van blozen in zijn artikel ‘FAQ: negatieve controle en antigedrag’ (Tetraheder, 1998, p. 17): “Van zodra de gevoelige persoon ook maar vermoedt dat hij zou kunnen gaan blozen, gebeurt het ook.” Begrijpen dat het kind dit gedrag niet kan controleren neemt de verantwoordelijkheid en schuld bij het kind weg. Verwijten zijn dus absoluut te vermijden. Ze verhogen enkel de druk.

5. Druk weghouden

Negatieve controle komt bijna steeds voor in situaties waar het kind ‘onder druk staat’. Dit kan bijvoorbeeld wanneer het zelf iets heel graag wil doen (intern) of wanneer er door een buitenstaander iets verwacht wordt (extern). Het is typisch dat het kind in vrij spel geen tekenen van negatieve controle of antigedrag vertoont – het heeft controle over de situatie- maar dat het, van zodra het in een opdrachtsituatie komt (of wat het kind beleeft als opdrachtsituatie), plots helemaal dichtklapt.

Aandringen (meer druk) heeft op dat ogenblik enkel een negatief versterkend effect. (Belonen of straffen horen thuis onder de categorie ‘aandringen’)  Ik herinner me de situatie van T., een kind van 3 jaar oud met autistoforme kenmerken, nog zeer goed. T. zijn gedrag was doorspekt met kenmerken van negatieve controle. Systematisch wanneer hem iets gevraagd werd, wendde hij zich af en ging hij over tot een vorm van zelfstimulatie (neuriën –steeds hetzelfde liedje- , voor/achter wiebelen, …). Op een dag begeleidde zijn grootmoeder hem naar de praktijk. Telkens ik hem iets vroeg, begon ze hevig te supporteren voor haar kleinzoon om hem aan te zetten in te gaan op wat ik op dat ogenblik gevraagd had. Ze deed dit telkens met dezelfde woorden, met dezelfde intonatie (ook hetzelfde liedje :-) ). Ik heb toen echt de situatie moeten kortsluiten en die mevrouw moeten uitleggen dat ze, ondanks haar zeer goede bedoelingen, het gedrag van haar kleinzoon versterkte, dat ze hem gewoon maakte zich af te wenden. Ik leerde haar dat de te hanteren strategie die erin bestaat de vraag slechts 1 maal te stellen en ze geen 25 maal te herhalen (het probleem is niet dat het kind de opdracht niet begrijpt). Nadat de vraag gesteld is, moet het kind wel de tijd en de ruimte krijgen om ze te kunnen beantwoorden, alle druk dient weggenomen te worden. Dit moet echt afstralen van de attitude van de begeleider, genre: ‘ik zou graag hebben dat je dit gaat doen (bv iets oprapen). Je hoeft het niet nu onmiddellijk te doen, doe het maar als jij er klaar voor bent’. In lichte gevallen van negatieve controle volstaat het wegnemen van de tijdsdruk al om het gedrag toch te kunnen initiëren.

Dit is dus een pleidooi om iedereen die met het kind te maken heeft belangrijke basisprincipes uit te leggen. Ik ga voor bijna al de kinderen die ik begeleid naar school om te overleggen met leerkrachten, ouders, directeurs, etc (later meer daarover).

Een ander veel voorkomend voorbeeld is het groeten. Vandaag nog vroegen we Michelle om te zwaaien naar een buurvrouw, die ze niet goed kent. Op dat ogenblik gingen haar beide handjes achter haar rug (en zwaaide ze niet (negatieve controle), ook niet nadat we onze vraag met milde druk herhaalden.) Maar ongeveer een minuut nadat we een gesprek met de dame in kwestie hadden aangeknoopt, zonder verder op Michelle te letten, begon ze spontaan te zwaaien, daida te roepen en zelfs kushandjes te gooien… Het groeten van vreemde personen is voor veel gevoelige kinderen een delicaat moment waar negatieve controle de kop kan opsteken (“Geef eens een handje?”)

6. Professionele hulp

Veel van de eerder geformuleerde tips kunnen U al een eind op weg helpen bij milde vormen van negatieve controle. Voor zwaardere vormen zal dit echter niet voldoende zijn. Professionele hulp in het algemeen en specifiek Kritische Ontwikkelingsbegeleiding methode Hendrickx is dan ten zeerste aangeraden.  Ervaring van de therapeut met contactproblemen is wel aangewezen, zeker voor het maken van een adequate systeemanalyse en probleemsynthese. Deze analyse en synthese (zie vorige blogs) leggen de dieperliggende structuren bloot die aan de basis liggen van het zichtbare gedrag: “De achtergrond op de voorgrond” (Prof. Hendrickx).

In een volgende bijdrage zal ik beschrijven wat ik als Kritisch Ontwikkelingsbegeleider  concreet doe met die kinderen in de begeleiding.

Comments

  1. An
    October 14th, 2009 | 6:18 pm

    beste
    ik las dit artikel op aanraden van mijn faciatherapeute ifv een probleem met onze jongste dochter. Ik herken zéér goed de negatieve controle. Ik ben zelf psychologe, maar heb er nooit eerder over gehoord.
    Onze dochter is hoger begaafd en hypersensitief.
    Zijn er goede therapeuten regio Gent/ Melle/ Merelbeke/ Destelbergen?

    Mvg
    An

  2. An
    October 14th, 2009 | 6:19 pm

    zie bovenstaande vraag.

Leave a reply