Over ‘koppige’ en ’stoute’ kinderen, deel 2
In een vorige bijdrage heb ik het fenomeen van negatieve controle en antigedrag beschreven.
Een vraag die steeds terugkeert, wanneer we door de bril van een kritische ontwikkelingsbegeleider - maw van binnenuit - een gedrag naar derden beschrijven, is : ”Wat kan ik (als ouder/als leerkracht) hier aan doen?” of “Hoe moet ik er mee omgaan?” (zie vraag leerkracht of mama Constance).
Voor dergelijke vragen is het niet mogelijk om pasklare antwoorden te formuleren. De problematiek is te complex om er kant-en-klare recepten op toe te passen. Mocht het maar zo eenvoudig zijn, genre ‘als je dit zo doet, krijg je zowiezo altijd dat resultaat’… Menselijk gedrag is nu éénmaal geen exacte wetenschap.
En toch proberen we, als kritisch ontwikkelingsbegeleider, deze vraag steeds zo goed mogelijk te beantwoorden. Een poging volgt na de ‘lees meer…’ (Read the article)
Comments(2)
Ik verwijs bijna dagelijks patiënten door naar collega’s ontwikkelingsbegeleiders. Niet enkel omdat al de agenda’s in onze groepspraktijk uit hun voegen barsten, vaak ook omdat er bij die mensen met een hulpvraag een goede begeleider in de buurt woont en er, gezien de meeste kinderen minstens 2 maal per week een half uur komen oefenen en dit gemiddeld 1 jaar lang, ook rekening dient gehouden te worden met praktische omstandigheden.
Sinds enkele weken heb ik een jonge vrouw in behandeling met de 










